Een aggregaat aansluiten op de meterkast kan ervoor zorgen dat je tijdens een stroomstoring belangrijke apparaten in huis kunt blijven gebruiken. Je kunt een aggregaat alleen niet zomaar rechtstreeks met de elektrische installatie van je woning verbinden.

Er moet een veilige scheiding zijn tussen het openbare elektriciteitsnet en de noodstroomvoorziening.

In deze gids leggen we uit hoe zo’n noodstroominstallatie werkt, welke onderdelen erbij komen kijken en hoeveel vermogen je ongeveer nodig hebt. Ook bespreken we 1-fase en 3-fase aansluitingen, zonnepanelen, aarding en de belangrijkste fouten die je moet voorkomen.

Kort antwoord

een aggregaat kan op een meterkast worden aangesloten via een daarvoor ontworpen noodstroominstallatie met een geschikte omschakelinrichting. Die voorkomt dat het aggregaat ongewenst stroom terugvoert naar het openbare elektriciteitsnet. Het aanpassen van de vaste elektrische installatie laat je uitvoeren en controleren door een vakbekwaam installateur.

Inhoudsopgave

Kun je een aggregaat aansluiten op de meterkast?

Ja, dat is technisch mogelijk. Een goed ontworpen noodstroomvoorziening zorgt ervoor dat geselecteerde groepen of, als de installatie en het vermogen daarvoor geschikt zijn, een groter deel van de woning tijdelijk door het aggregaat kunnen worden gevoed.

Het aggregaat mag daarbij niet simpelweg parallel aan het openbare elektriciteitsnet worden aangesloten.

De installatie moet zo zijn ontworpen dat de voedingen veilig van elkaar worden gescheiden wanneer er tussen netstroom en noodstroom wordt gewisseld. Een speciale omschakelinrichting speelt daarbij een belangrijke rol. Deze zorgt ervoor dat de elektrische installatie gecontroleerd van voedingsbron wisselt.

In de praktijk heb je grofweg drie mogelijkheden:

Situatie Werking Geschikt voor
Apparaten rechtstreeks op aggregaat Apparaten worden buiten de vaste huisinstallatie op het aggregaat aangesloten Eenvoudig en tijdelijk gebruik
Handmatige noodstroomvoorziening Je schakelt de installatie handmatig tussen netstroom en aggregaat Incidentele stroomstoringen
Automatische noodstroomvoorziening Systeem schakelt automatisch over wanneer het net uitvalt Situaties waarin continuïteit belangrijk is

Voor veel woningen is het niet nodig om tijdens een stroomstoring werkelijk alles van elektriciteit te voorzien. Het is vaak slimmer om vooraf te bepalen welke apparaten en groepen essentieel zijn.

Hoe werkt een aggregaat op de meterkast?

Bij normaal gebruik krijgt je woning elektriciteit vanuit het openbare elektriciteitsnet. Wanneer je een aggregaat als noodstroombron wilt gebruiken, komt daar tijdelijk een tweede voedingsbron bij. Daarom moet worden voorkomen dat beide bronnen ongecontroleerd met elkaar verbonden kunnen zijn.

Conceptueel ziet een veilige installatie er als volgt uit: Openbaar elektriciteitsnet → omschakelinrichting → elektrische installatie woning Aggregaat → omschakelinrichting → elektrische installatie woning De omschakelinrichting bepaalt welke bron de installatie voedt.

Dit principe is belangrijk omdat een aggregaat anders stroom kan leveren aan een installatie die volgens iemand anders spanningsloos zou moeten zijn.

Waarom heb je een omschakelaar nodig?

De omschakelinrichting zorgt ervoor dat gecontroleerd wordt gekozen tussen de normale netvoeding en de alternatieve voedingsbron. Bij een handmatige oplossing gebeurt dit bijvoorbeeld via een duidelijke net – 0 – noodstroom-functie. Bij een automatische installatie wordt het wegvallen en terugkeren van de netspanning automatisch verwerkt.

Het exacte ontwerp hangt onder andere af van:

  • de bestaande elektrische installatie;
  • 1-fase of 3-fase aansluiting;
  • het type aggregaat;
  • het vermogen van het aggregaat;
  • het aardingssysteem;
  • de gewenste noodstroomgroepen;
  • aanwezige zonnepanelen;
  • een eventuele thuisbatterij;
  • de gebruikte beveiligingen.

Daarom is er geen universeel aansluitschema dat voor iedere woning veilig kan worden gebruikt.

Waarom is terugvoeding gevaarlijk?

Stel dat in een wijk de elektriciteit uitvalt en een monteur aan het elektriciteitsnet werkt. Die monteur moet erop kunnen vertrouwen dat een afgeschakeld deel van het net daadwerkelijk spanningsloos is.

Wanneer een aggregaat vanuit een woning ongewenst elektriciteit terug het net op kan sturen, kan daar een gevaarlijke situatie ontstaan. Een goede noodstroominstallatie voorkomt dit door de woning gecontroleerd van het openbare net te scheiden voordat het aggregaat als voedingsbron wordt gebruikt.

Aggregaat aansluiten via een stopcontact? Niet doen

Een methode die je soms online tegenkomt, is een aggregaat via een gewoon wandstopcontact met de huisinstallatie verbinden. Doe dit niet. Daarmee kun je de installatie vanuit een richting voeden waarvoor deze situatie niet veilig is ingericht.

Bovendien ontbreekt een betrouwbare omschakeling tussen het openbare elektriciteitsnet en het aggregaat.

Dit kan onder andere leiden tot:

  • gevaarlijke terugvoeding naar het elektriciteitsnet;
  • elektrocutiegevaar;
  • brandgevaar;
  • overbelasting van kabels en componenten;
  • beveiligingen die niet functioneren zoals bedoeld;
  • spanning op delen waarvan iemand verwacht dat ze spanningsloos zijn.

Gebruik ook nooit een zelfgemaakte kabel met twee mannelijke stekkers om een aggregaat via een stopcontact met de woning te verbinden. Wil je de vaste huisinstallatie voeden, laat daarvoor dan een geschikt aansluitpunt en een correcte omschakelinrichting realiseren.

Welke onderdelen zijn nodig?

De exacte onderdelen verschillen per woning. Een installateur zal daarom eerst moeten bepalen hoe de bestaande installatie is opgebouwd en wat je tijdens een stroomstoring wilt blijven gebruiken. Een noodstroominstallatie kan onder andere bestaan uit:

  • een geschikt aggregaat;
  • een veilig aansluitpunt voor het aggregaat;
  • een handmatige of automatische omschakelinrichting;
  • geschikte bekabeling;
  • beveiligingen;
  • een passende aardingsvoorziening;
  • eventueel een aparte verdeler voor noodstroomgroepen.

De kabeldoorsnede, beveiliging, aardingswijze en schakelinrichting moeten worden afgestemd op de specifieke installatie. Kies deze onderdelen daarom niet alleen op basis van een willekeurig schema dat je online vindt.

Handmatig of automatisch omschakelen?

Een belangrijke keuze is of je handmatig of automatisch tussen netstroom en aggregaat wilt wisselen.

Handmatige omschakeling

Bij een handmatige installatie moet iemand zelf de omschakeling uitvoeren wanneer het elektriciteitsnet uitvalt. Het voordeel is dat de installatie relatief overzichtelijk kan blijven. Voor een woning waarin een aggregaat alleen bij uitzonderlijke langdurige stroomstoringen wordt gebruikt, kan dit voldoende zijn.

Je moet bij een storing natuurlijk wel aanwezig zijn om het aggregaat te starten en de voorgeschreven procedure uit te voeren.

Automatische omschakeling

Een automatische omschakelinrichting kan detecteren dat de normale netvoeding wegvalt en het noodstroomsysteem volgens het ontwerp laten overnemen. Dit wordt vaak aangeduid met ATS, wat staat voor Automatic Transfer Switch. Niet ieder aggregaat kan automatisch worden gestart.

Wil je een volledig automatisch systeem, dan moeten het aggregaat, de besturing en de omschakelinrichting hiervoor geschikt zijn.

Eigenschap Handmatig Automatisch
Zelf omschakelen nodig Ja Nee
Eenvoud van systeem Hoger Lager
Automatisch bij afwezigheid Nee Mogelijk
Geschikt voor incidenteel gebruik Zeer geschikt Mogelijk
Extra besturing nodig Beperkt Ja
Aggregaat moet automatisch kunnen starten Nee Bij automatische start wel

Voor een gemiddelde woning die het aggregaat alleen als noodvoorziening gebruikt, is een handmatige oplossing vaak logisch. Wanneer apparatuur continu beschikbaar moet blijven, kan automatische omschakeling interessanter zijn.

Hoe wordt een aggregaat op een meterkast aangesloten?

De aanpassing van de meterkast zelf is werk voor een vakbekwaam installateur. Je kunt wel vooraf bepalen wat je van de noodstroomvoorziening verwacht. Het traject ziet er meestal ongeveer als volgt uit.

Stap 1: bepaal welke apparaten belangrijk zijn

Begin niet bij het aggregaat, maar bij je stroombehoefte. Vraag jezelf af welke apparaten tijdens een langdurige stroomstoring werkelijk moeten blijven functioneren. Denk bijvoorbeeld aan:

  • koelkast;
  • vriezer;
  • enkele lichtpunten;
  • modem en router;
  • noodzakelijke communicatieapparatuur;
  • eventueel een verwarmingsinstallatie;
  • eventueel een water- of circulatiepomp;
  • specifieke medische of andere noodzakelijke apparatuur.

Een inductiekookplaat, elektrische boiler, sauna, warmtepomp of laadpaal kan veel vermogen vragen. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat je deze tijdens noodstroom wilt blijven gebruiken.

Stap 2: bepaal het benodigde vermogen

Bekijk het opgenomen vermogen van de apparaten die gelijktijdig gebruikt moeten kunnen worden. Controleer hiervoor bij voorkeur het typeplaatje of de technische documentatie van het specifieke apparaat. Let daarbij niet alleen op het normale vermogen.

Apparatuur met een elektromotor of compressor kan bij het starten tijdelijk aanzienlijk meer vermogen vragen. Dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde koelkasten, vriezers en pompen. Je aggregaat moet zo’n tijdelijke piek kunnen verwerken.

Stap 3: laat de bestaande meterkast beoordelen

Vervolgens moet worden bekeken hoe de huidige installatie is opgebouwd. Belangrijke vragen zijn bijvoorbeeld:

  • Is de woning 1-fase of 3-fase aangesloten?
  • Hoe zijn de groepen verdeeld?
  • Welke aardlekschakelaars zijn aanwezig?
  • Hoe is de aarding uitgevoerd?
  • Zijn er zonnepanelen aangesloten?
  • Is er een thuisbatterij?
  • Welke groepen moeten op noodstroom kunnen werken?

Op basis daarvan kan een passende oplossing worden ontworpen.

Stap 4: bepaal het omschakelconcept

Nu kan worden gekozen hoe de woning tussen het openbare elektriciteitsnet en het aggregaat gaat schakelen. Dat kan handmatig of automatisch gebeuren. Ook moet worden bepaald of de volledige installatie of alleen een geselecteerd deel van de groepen noodstroom krijgt.

Stap 5: laat een geschikt aansluitpunt plaatsen

Bij een vaste noodstroomvoorziening wordt een daarvoor geschikt aansluitpunt gebruikt. Het aggregaat kan daardoor volgens het ontworpen systeem worden gekoppeld zonder geïmproviseerde verbindingen via gewone wandstopcontacten. De aansluiting moet geschikt zijn voor de stroom, spanning en uitvoering van het systeem.

Stap 6: laat beveiliging en aarding controleren

Een aggregaat vormt tijdens noodstroom een andere voedingssituatie dan het openbare elektriciteitsnet. Daarom moet worden vastgesteld of foutbeveiliging, aardlekschakelaars en aarding in de noodstroomsituatie correct functioneren. Dit is geen onderdeel om op aannames te baseren.

Stap 7: laat de volledige installatie testen

Na installatie moet niet alleen worden gekeken of de lampen aangaan. Er moet ook worden gecontroleerd of de omschakeling, beveiligingen en aardingsvoorziening onder de bedoelde omstandigheden correct functioneren. Vraag daarnaast om uitleg over de juiste gebruiksprocedure.

Zeker bij een handmatige omschakeling is het belangrijk dat je weet welke volgorde je bij stroomuitval en netherstel moet volgen.

Aggregaat aansluiten op een 1-fase meterkast

Bij een 1-fase huisaansluiting wordt de woning via één fase gevoed. Wanneer een aggregaat als noodstroombron wordt toegevoegd, moet de noodstroomvoorziening passen bij de elektrische eigenschappen van die installatie. Dat betekent niet dat ieder 230V-aggregaat automatisch geschikt is.

Onder andere het beschikbare vermogen, de beveiligingen, omschakeling, aardingswijze en kwaliteit van de geleverde spanning zijn relevant. Voor gevoelige elektronica kan bovendien de kwaliteit en stabiliteit van de uitgangsspanning belangrijk zijn.

Controleer daarom de specificaties van het aggregaat en van apparatuur die je ermee wilt voeden.

Aggregaat aansluiten op een 3-fase meterkast

Bij een 3-fase aansluiting wordt het ingewikkelder. De groepen in de woning kunnen over verschillende fasen zijn verdeeld en sommige apparaten kunnen daadwerkelijk een 3-fase voeding nodig hebben. Een installateur moet daarom bepalen:

  • of noodstroom op één of meerdere fasen nodig is;
  • hoe de noodstroomgroepen zijn verdeeld;
  • welke 3-fase apparaten eventueel moeten blijven werken;
  • hoeveel belasting iedere fase krijgt;
  • welk type aggregaat daarvoor nodig is;
  • hoe de omschakeling wordt uitgevoerd.

Heb je thuis een 3-fase aansluiting, dan betekent dit dus niet automatisch dat je ook een groot 3-fase aggregaat nodig hebt. Wanneer je tijdens een stroomstoring alleen een beperkte selectie aan 230V-apparatuur wilt gebruiken, kan een ander ontwerp mogelijk praktischer zijn.

Dat moet wel passen bij de bestaande installatie en door de installateur correct worden uitgevoerd.

Hoeveel vermogen moet het aggregaat hebben?

Dit is één van de belangrijkste vragen bij het kiezen van een aggregaat. Stel eerst een lijst op van de apparaten die tijdens een stroomstoring tegelijkertijd actief kunnen zijn. Noteer vervolgens het werkelijke opgenomen vermogen van deze apparaten.

Maak daarbij onderscheid tussen: Continu vermogen: het vermogen dat een apparaat tijdens normaal gebruik vraagt. Startvermogen: een tijdelijke vermogenspiek die bijvoorbeeld bij het starten van een elektromotor of compressor kan ontstaan.

Een koelkast kan tijdens normaal bedrijf bijvoorbeeld relatief weinig elektriciteit gebruiken, maar tijdens het starten tijdelijk een hogere piek veroorzaken. Hetzelfde geldt voor sommige pompen en elektrisch gereedschap.

Gebruik daarom geen algemene internetwaarden als definitieve berekening. Controleer het typeplaatje en de technische documentatie van je eigen apparatuur. Een inventarisatie kan er bijvoorbeeld zo uitzien:

Apparaat Prioriteit tijdens storing Extra aandachtspunt
Koelkast Hoog Compressor kan startpiek hebben
Vriezer Hoog Compressor kan startpiek hebben
Basisverlichting Hoog Kies alleen noodzakelijke ruimtes
Modem/router Hoog Relatief beperkt vermogen
Cv-installatie Situatieafhankelijk Controleer compatibiliteit
Waterpomp Situatieafhankelijk Motor kan hoge startstroom vragen
Televisie Laag/middel Geen essentiële belasting
Inductiekookplaat Laag Kan veel vermogen vragen
Elektrische boiler Laag Hoge elektrische belasting
EV-lader Zeer laag Zeer hoge belasting
Elektrische verwarming Laag Kan continu veel vermogen vragen

Door niet-essentiële grote verbruikers tijdens noodstroom uit te schakelen, kun je met een kleiner aggregaat toch de belangrijkste voorzieningen laten werken.

Moet je het hele huis op het aggregaat aansluiten?

Nee, en vaak is dat ook niet de verstandigste keuze. Stel dat je alleen je koelkast, vriezer, verlichting, internet en enkele stopcontacten nodig hebt.

Dan heeft het weinig zin om het systeem zo te ontwerpen dat ook een laadpaal, elektrische boiler en andere zware verbruikers zonder beperking kunnen worden gebruikt.

Je kunt daarom werken met geselecteerde noodstroomgroepen. Daarbij wordt vooraf bepaald welke groepen tijdens een stroomstoring beschikbaar moeten blijven.

Een voordeel hiervan is dat het benodigde aggregaatvermogen beter beheersbaar blijft. Ook verklein je de kans dat iemand tijdens een stroomstoring per ongeluk een zeer zware verbruiker inschakelt.

Hoe zit het met aarding en aardlekschakelaars?

Aarding en foutbeveiliging zijn belangrijke onderdelen van iedere elektrische installatie. Een aardlekschakelaar controleert of er een verschil ontstaat tussen de stroom die naar een installatie gaat en de stroom die terugkomt. Bij gebruik van een aggregaat moet de beveiliging ook in de noodstroomsituatie correct functioneren.

Je kunt niet automatisch aannemen dat een aardlekschakelaar precies hetzelfde werkt zodra je een willekeurig aggregaat aan de installatie koppelt. De werking hangt samen met de manier waarop de noodstroombron, nul, beschermingsleiding, aarding en omschakeling zijn uitgevoerd.

Daarom moet de installateur het totale systeem beoordelen en na aanleg controleren.

Een aardpen bij het aggregaat slaan is dus niet automatisch dé oplossing voor iedere woning. Ook hier hangt de juiste uitvoering af van het ontwerp van de elektrische installatie.

Kun je een aggregaat gebruiken als je zonnepanelen hebt?

Ja, maar een woning met zonnepanelen vraagt extra aandacht. Een standaard netgekoppelde zonnepaneelinstallatie is niet automatisch een noodstroomvoorziening. Wanneer het openbare elektriciteitsnet uitvalt, schakelt een normale netgekoppelde omvormer uit.

Dat voorkomt dat de zonnepanelen spanning blijven leveren aan een net waarvan wordt verwacht dat het spanningsloos is. Hierdoor kun je tijdens een stroomstoring meestal niet gewoon je zonnepanelen blijven gebruiken, zelfs als buiten volop de zon schijnt.

Wil je zonnepanelen, een aggregaat en eventueel een thuisbatterij tijdens een stroomstoring laten samenwerken, dan moet het systeem hiervoor specifiek zijn ontworpen.

Daarbij spelen onder andere een rol:

  • type zonnepaneelomvormer;
  • mogelijkheid tot eilandbedrijf;
  • aanwezigheid van een thuisbatterij;
  • back-upuitgang van de omvormer;
  • regeling van het aggregaat;
  • omschakeling van het openbare net;
  • maximale laad- en ontlaadvermogens.

Sluit een aggregaat daarom niet zomaar naast een bestaande zonnepaneelomvormer aan in de verwachting dat beide bronnen vanzelf samenwerken.

Aggregaat combineren met een thuisbatterij

Een aggregaat en thuisbatterij kunnen elkaar in een daarvoor ontworpen energiesysteem aanvullen. Een batterij kan bijvoorbeeld korte stroomstoringen opvangen zonder dat een verbrandingsmotor hoeft te draaien. Duurt de stroomstoring langer, dan kan een geschikt systeem een aggregaat gebruiken om aanvullende energie te leveren.

Dat heeft verschillende mogelijke voordelen. Het aggregaat hoeft bijvoorbeeld niet continu te draaien wanneer de batterij voldoende energie bevat. De combinatie is technisch wel ingewikkelder dan een losse noodstroomgenerator.

De omvormer, batterij, aggregaat, omschakeling en eventuele zonnepanelen moeten goed op elkaar zijn afgestemd. Niet iedere thuisbatterij beschikt bovendien standaard over een noodstroom- of back-upfunctie.

Waar zet je een aggregaat neer?

De elektrische aansluiting is niet het enige veiligheidsaspect. Een aggregaat met verbrandingsmotor produceert uitlaatgassen en daarmee onder andere koolmonoxide. Gebruik zo’n aggregaat daarom nooit in een woning, garage, schuur of andere afgesloten ruimte alleen omdat er een raam of deur openstaat.

Het aggregaat hoort buiten te staan op een daarvoor geschikte plek en volgens de veiligheidsvoorschriften van de fabrikant te worden gebruikt. Let onder andere op:

  • voldoende afstand tot deuren en ramen;
  • vrije afvoer van uitlaatgassen;
  • ventilatie;
  • bescherming tegen omstandigheden waarvoor het aggregaat niet geschikt is;
  • een stabiele ondergrond;
  • brandveiligheid;
  • veilige omgang met brandstof;
  • afstand tot brandbare materialen;
  • geluidsoverlast.

Zet een draaiend aggregaat nooit binnen om geluidsoverlast of regen te vermijden. Koolmonoxide is kleurloos en reukloos en kan zich ongemerkt ophopen.

Hoe gebruik je de noodstroomvoorziening tijdens een storing?

Bij een handmatig systeem moet je de procedure volgen die bij jouw installatie hoort. Vraag de installateur daarom om deze procedure na plaatsing duidelijk uit te leggen en bij voorkeur bij de meterkast te bewaren. Een veilige procedure bevat in ieder geval controles rond:

  1. vaststellen dat de normale netvoeding is uitgevallen;
  2. controleren van de noodstroominstallatie;
  3. correct omschakelen volgens het geïnstalleerde systeem;
  4. starten en gebruiken van het aggregaat volgens de fabrikant;
  5. bewaken van de belasting;
  6. correct terugschakelen zodra het elektriciteitsnet is hersteld.

De precieze volgorde kan afhangen van het systeem. Gebruik daarom geen algemene internetprocedure als vervanging voor de instructies van de installateur en fabrikant.

Veelgemaakte fouten bij een aggregaat op de meterkast

Bij een noodstroominstallatie kunnen kleine fouten grote gevolgen hebben. Onderstaande fouten moet je daarom voorkomen.

Fout Waarom is dit een probleem?
Aggregaat via wandstopcontact terugvoeden Kan gevaarlijke terugvoeding veroorzaken
Geen geschikte omschakelinrichting gebruiken Net en noodstroom worden mogelijk niet veilig gescheiden
Aggregaat te klein kiezen Overbelasting of uitval bij hoge belasting
Startvermogen vergeten Motoren en compressoren kunnen bij starten een piek vragen
Alle zware apparaten blijven gebruiken Aggregaat kan snel worden overbelast
Aarding niet laten beoordelen Beveiligingen werken mogelijk niet zoals bedoeld
Zonnepanelen negeren Extra energiebron beïnvloedt het systeemontwerp
Verkeerde oplossing voor 3-fase installatie kiezen Faseverdeling en belasting kunnen problemen geven
Aggregaat binnen gebruiken Gevaar op koolmonoxidevergiftiging
Zelf de groepenkast aanpassen zonder voldoende kennis Kans op elektrische schok, brand of foutieve beveiliging

Kun je zelf een aggregaat op de meterkast aansluiten?

Een los aggregaat gebruiken voor daarvoor geschikte losse apparaten is iets anders dan een aggregaat integreren in de vaste elektrische installatie van een woning.

Je kunt zelf prima voorbereidend werk doen. Denk bijvoorbeeld aan het inventariseren van de apparaten die je tijdens een storing wilt blijven gebruiken, het controleren van de vermogens en het kiezen van een geschikte plek voor het aggregaat.

Het aanpassen van de vaste elektrische installatie is een ander verhaal.

Daarbij moeten onder andere de omschakeling, beveiliging, aarding, kabels en bestaande groepenkast correct op elkaar worden afgestemd. Laat dit daarom ontwerpen, installeren en controleren door iemand die aantoonbaar vakbekwaam is voor dit soort elektrische installaties.

Vraag na de installatie ook om uitleg over:

  • starten van de noodstroomvoorziening;
  • omschakelen tussen net en aggregaat;
  • maximale belasting;
  • welke groepen beschikbaar zijn;
  • uitschakelen van het aggregaat;
  • terugschakelen naar netstroom;
  • periodieke controle en onderhoud.

Zo weet niet alleen de installateur hoe het systeem werkt, maar jij ook.

Aggregaat regelmatig testen en onderhouden

Een noodstroomaggregaat waar jarenlang niets mee gebeurt, kan precies op het verkeerde moment problemen geven.

Volg daarom het onderhoudsschema van de fabrikant en controleer het systeem periodiek.

Denk afhankelijk van het type aggregaat aan:

  • oliepeil;
  • brandstof;
  • accu van elektrische start;
  • filters;
  • kabels en stekkers;
  • lekkages;
  • algemene staat van het apparaat.

Test ook de noodstroomvoorziening volgens de instructies van de installateur.

Doe dit gecontroleerd en voorkom dat gevoelige apparatuur onverwacht wordt uitgeschakeld.

Brandstof verdient eveneens aandacht. Brandstoffen hebben geen onbeperkte houdbaarheid en moeten veilig worden opgeslagen. Volg hiervoor de voorschriften van de fabrikant en de regels die voor opslag gelden.

Zorg eerst voor een goed noodstroomplan

Een aggregaat aansluiten op de meterkast begint niet met het trekken van een kabel, maar met bepalen wat je tijdens een stroomstoring daadwerkelijk van stroom wilt voorzien. Door alleen essentiële groepen te selecteren, kan het benodigde vermogen vaak flink worden beperkt.

Vervolgens moet de noodstroomvoorziening zo worden ontworpen dat het openbare elektriciteitsnet en het aggregaat veilig van elkaar worden gescheiden. Daarbij moeten ook de aarding, beveiligingen, eventuele zonnepanelen en een 1-fase of 3-fase aansluiting worden meegenomen.

Laat de wijzigingen aan de vaste elektrische installatie daarom uitvoeren en controleren door een vakbekwaam installateur. Zorg daarna dat je precies weet hoe je jouw systeem tijdens een stroomstoring veilig gebruikt.

Zo heb je niet alleen een aggregaat klaarstaan, maar ook een noodstroomvoorziening waarop je kunt vertrouwen.